oor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: oor-
[1] Een oor.
Uitspraak
Woordafbreking
  • oor
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ore
Oudnederlands: ōra
Germaans: *ausô
Indo-Europees: *h₂ous-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: ear (Angelsaksisch: ēare), Duits: Ohr, (Oudhoogduits: ora), Fries: ear (Oudfries: āre)
Noord: Zweeds: öra, Deens/Noors: øre, (Nynorsk: øyra, øyre, Oudnoors: eyra), IJslands: eyra, Faeröers: oyra
Oost: Gotisch: auso
enkelvoud meervoud
naamwoord oor oren
verkleinwoord oortje oortjes

Zelfstandig naamwoord

oor o

  1. (anatomie) het lichaamsdeel waarmee geluiden kunnen worden gehoord
  2. (numismatiek) een oude Nederlandse munt
  3. handvat waaraan je een stuk servies kunt optillen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Kleine potjes hebben grote oren.
Men moet voorzichtig zijn met wat men zegt als er kinderen in de buurt zijn.
Uitdrukkingen en gezegden
  • iemand een oor aannaaien
iemand beetnemen
  • een oor te luisteren leggen
onderzoeken wat een ander van iets vindt
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oren

oor

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
    Ik oor.
  2. gebiedende wijs van oren
    Oor!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oren
    Oor je?

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord oor ore

Zelfstandig naamwoord

oor

  1. (anatomie) oor

Voorzetsel

oor

  1. over