ezelsoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ezels·oor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ezelsoor ezelsoren
verkleinwoord ezelsoortje ezelsoortjes

Zelfstandig naamwoord

ezelsoor o [2]

  1. omgevouwen hoek van een bladzijde
    • Hij heeft een ezelsoor gevouwen als herinnering bij de pagina waar hij was met lezen. 
    • Met leren banden worden de kaften nu beschermd. ,,De boeken waar een wit briefje uitsteekt moeten nog gerepareerd worden, nog 556 stuks vertelt Rosenberg, druk rondlopend van kast naar kast. Ezelsoren gladstrijken doet het personeel van de bibliotheek zelf. De ingewikkelde reparaties worden uitbesteed aan een atelier. [3] 
  2. een dom persoon, domoor
  3. oor van een ezel
  4. (Stachys byzantina) een grijs groene plantensoort

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. NRC Lotte de Wit 30 oktober 2004