oorbel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Een oorbel.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·bel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oorbel oorbellen
verkleinwoord oorbelletje oorbelletjes

Zelfstandig naamwoord

oorbel v/m

  1. een ornament dat in of op het oor aangebracht wordt
    • Hij had een oorbelletje in zijn rechteroor. 
     Natuurlijk had ik Clio onderschat. In plaats van de deur open te doen in verhuis-T-shirt en joggingbroek verscheen zij, alsof ze wist dat dit haar eerste opkomst zou zijn in mijn boek, als een vrouw die weet hoe zij haar entree moet maken, in een spectaculair kort zwart jurkje van Elsa Schiaparelli, dat was afgezet met een bloemmotief van witte glaskraaltjes en een wufte kraag van witte raffia, met daarbij zwarte open schoenen met een hoge hak van Fendi en lange, hangende, zilveren oorbellen van Gucci.[1]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Pfeiffer, Ilja Leonard op Wikipedia “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 25
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be