gehoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·hoor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gehoor -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gehoor o

  1. het systeem om te horen
    • Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden. 
  2. publiek bij een uitvoering
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl