gehoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·hoor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gehoor -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gehoor o

  1. het systeem om te horen
    • Mijn opa's gehoor was erg slecht geworden. 
  2. publiek bij een uitvoering
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • gehoor geven aan
opvolgen van een oproep
  1.  Op Utrecht Centraal is het ongewoon rustig tijdens de ochtendspits deze vrijdag. Veel mensen geven gehoor aan de oproep zoveel mogelijk thuis te blijven vanwege het coronavirus, maar niet iedereen. Wie zijn de mensen die toch op pad gaan en waarom?[2]
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. gehoor op website: Etymologiebank.nl
  2. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be