oorlel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·lel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oorlel oorlellen
verkleinwoord oorlelletje oorlelletjes

Zelfstandig naamwoord

oorlel m/v

  1. (anatomie) het onderste deel van de oorschelp bestaande uit vetweefsel
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie