dikoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

jongetje met de bof
Uitspraak
Woordafbreking
  • dik·oor
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dikoor dikoren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dikoor v/m [1]

  1. (medisch) aandoening die wordt veroorzaakt door het bof-virus (een paramyxovirus)
    • In Arendonk, Schilde en Schoten is een tiental gevallen van bof opgedoken. Omdat de ziekte heel zeldzaam was geworden, krijgen de huisartsen er richtlijnen. Bof is een virusinfectie die in de volksmond bekend is als 'dikoor'. [2] 
    • Intussen zijn er sinds begin dit jaar al meer dan zestig gevallen van bof, ook gekend als "dikoor", geteld in de provincie Antwerpen. De uitbraak concentreert zich voornamelijk in Arendonk (23 bofpatiënten), maar breidde intussen ook verder uit naar onder meer Mechelen. [3] 
    • De voorbije dagen doken berichten op over het opnieuw oprukken van kinderziektes als mazelen, kinkhoest en bof omwille van vaccinatievrees bij sommige ouders. Alle artsen en vaccinatoren krijgen dezer dagen een brief in de bus die hun speciale aandacht vraagt voor de vaccinatie tegen mazelen, bof (dikoor) en rubella (rodehond). [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen