domoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·oor
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘dom mens’ voor het eerst aangetroffen in 1757 [1]
  • samenstelling van  dom   en  oor  
enkelvoud meervoud
naamwoord domoor domoren
verkleinwoord domoortje domoortjes

Zelfstandig naamwoord

domoor v/m

  1. domkop, dommerik, sufferd, iemand die niet intelligent is
    • Oei! wat ben ik toch een domoor! ik nu alweer mijn sleutels vergeten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen