oorvijg

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·vijg
enkelvoud meervoud
naamwoord oorvijg oorvijgen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

oorvijg v/m

  1. een klap in het gezicht
    • [E]en snotneusje van een jaar of twaalf snijdt met een scheermes de schoudertas open en heeft het beursje al in de hand wanneer ik hem met een ouderwetse oorvijg wegstuur.[1] 

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Volkskrant 4 mei 2002