øre

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Et øre
Een oor

Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • øre
Woordherkomst en -opbouw
  • [A] Afkomstig van het Oudnoordse woord eyrir, dat van het Latijnse woord aureus (gouden munt) komt
  • [B] Afkomstig van het Oudnoorse woord eyra
o
[A]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   øre     øret     ører     ørerne  
genitief   øres     ørets     ørers     ørernes  

Zelfstandig naamwoord

[A] øre, o

  1. (anatomie) oor


g
[B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   øre     øren     ører     ørerne  
genitief   øres     ørens     ørers     ørernes  

Zelfstandig naamwoord

[B] øre, g

  1. (financieel) øre (1/100ste deel van een Deense en Noorse kroon)


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • øre
Woordherkomst en -opbouw
  • [A+B] Afkomstig van het Oudnoordse woord eyrir, dat van het Latijnse woord aureus (gouden munt) komt
  • [C] Afkomstig van het Oudnoorse woord eyra
o
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   øre     øret     ører     ørene  
genitief   øres     ørets     ørers     ørenes  

Zelfstandig naamwoord

[A] øre, o

  1. (anatomie) oor
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] utstående øre, o (meestal in het meervoud)

  1. een afstaand oor, flapoor, zeiloor
m
[C]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   øre     øren     ører     ørene  
genitief   øres     ørens     ørers     ørenes  

Zelfstandig naamwoord

[C] øre, m

  1. (financieel) øre (1/100ste deel van een Deense en Noorse kroon)


{{-noverb-|øre|ører|[[ørte}}|ørt|ørende|øres|ør|Klasse 2 zwak }}

Werkwoord

øre

  1. verward spreken, fantaseren
  2. dommelen, dutten, soezen
  3. zwindelen