oren

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oren
Woordherkomst en -opbouw
  • [zelfstandig naamwoord] oor met de uitgang -en
  • [werkwoord] herkomst: Jiddisj [1]

Zelfstandig naamwoord

oren mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord oor
     Na een tijdje merkte ik duidelijk aan mijn oren dat we van zeeniveau naar duizend meter hoogte aan het klimmen waren.[2]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
oren
oorde
geoord
zwak -d volledig

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als werkwoord

Werkwoord

oren

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) bidden

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  2. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Nedersaksisch

Zelfstandig naamwoord

oren

  1. meervoud van oor


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
orar

oren

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van orar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van orar


Veluws

Zelfstandig naamwoord

oren

  1. meervoud van oor