oormerk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

kalf met oormerk
Uitspraak
Woordafbreking
  • oor·merk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oormerk oormerken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oormerk o

  1. een, meestal geel, genummerd label op de oren van rundvee – inclusief waterbuffel en Amerikaanse bizon – en sinds 2005 ook van schapen, geiten en varkens
    • De stamboekstier heeft geen oormerken, geen ring door zijn neus en nog echte hoorns. „Ik kon het niet over mijn hart verkrijgen hem weg te doen”, vertelt De Groot. „Het klinkt misschien gek, maar Ysbrand voelt een beetje als familie. Ik heb hem als jong stiertje gekregen en hij liep hier altijd op het erf rond. Ik heb hem altijd veel geaaid en tegen hem gepraat. Daar is hij tam van geworden.” [2] 
  2. een herkenningsteken in het algemeen
    • ‘Stiekem dromen we ervan dat de paarse krokodil een oormerk wordt’, verklapt Frederik Verhaeghe. ‘Dat je bijvoorbeeld een paarse krokodil op je identiteitskaart of rijbewijs, of zelf het schoolrapport zet en de persoon tegenover jou meteen weet: “Aha, dat is iemand die strijdt tegen bureaucratie”. Nu, we zullen al héél blij zijn als het een tool wordt om een gesprek aan te knopen, of om als werknemer in je eigen bedrijf regels af te schaffen. Vaak ligt dat gevoelig. Via de paarse krokodil kun je de situatie ontmijnen.’ [3] 
  3. van iets dat het alleen maar gebruikt mag worden voor één, van te voren bepaald doel
    • Ook leuk aan ondertrouw: je kreeg er een vrije dag voor van je werkgever. Die dag is in veel cao's al langer verdwenen en vervangen door verlof zonder oormerk. ,,Werknemers willen meer flexibiliteit in de bestemming van hun vrije dagen, zegt Jannes van der Velde van werkgeversvereniging AWVN. ,,Wij verwachten dat de vrije dag voor ondertrouw helemaal verdwijnt, zeker nu. [4] 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
oormerken

oormerk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oormerken
    • Ik oormerk. 
  2. gebiedende wijs van oormerken
    • Oormerk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van oormerken
    • Oormerk je? 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl
  2. NRC Karin de Mik 9 december 2009
  3. de Standaard VRIJDAG 14 JULI 2017
  4. Tubantia Heleen Boex 01-09-2015