nobel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • no·bel
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nobel nobeler nobelst
verbogen nobele nobelere nobelste
partitief nobels nobelers -
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘edel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1477 [1]
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘munt’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1406 [2]

Bijvoeglijk naamwoord

nobel

  1. eerbiedwaardig.
    • Hij heeft een nobele daad verricht. 
    • En elke keer zie je dat de nobelste van onze waarden de laagste van onze driften naar boven haalt. Alsof ze twee zijden van dezelfde medaille zijn.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Pools

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

nobel m

  1. nobelium