puur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • puur
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘zuiver’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1265 [1] [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen puur puurder puurst
verbogen pure puurdere puurste
partitief puurs puurders -

Bijvoeglijk naamwoord

puur

  1. zuiver
    • Dat is puur geluk. 

Werkwoord

vervoeging van
puren

puur

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puren
    • Ik puur. 
  2. gebiedende wijs van puren
    • Puur! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van puren
    • Puur je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen