hele

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·le

Bijvoeglijk naamwoord

hele

  1. verbogen vorm van de stellende trap van heel

Werkwoord

vervoeging van
helen

hele

  1. aanvoegende wijs van helen


Deens

Woordafbreking
  • he·le
Naar frequentie 115

Bijvoeglijk naamwoord

hele, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van hel

hele, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van hel


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord 1: afleiding van het Noorse zelfstandige naamwoord 1 hele
  • Werkwoord 2: afleiding van het Noorse bijvoeglijke naamwoord hel
  • Werkwoord 3: afkomstig van het Nederduitse werkwoord skjule
  • Zelfstandig naamwoord 1: afleiding van het Noorse bijvoeglijke naamwoord hel
  • Zelfstandig naamwoord 2: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord héla
Naar frequentie 138

Bijvoeglijk naamwoord

hele, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van hel

hele, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van hel
Schrijfwijzen
Werkwoord 1:
vervoeging
onbepaalde wijs hele
tegenwoordige tijd heler
verleden tijd hela
helet
voltooid
deelwoord
hela
helet
onvoltooid
deelwoord
helende
lijdende vorm heles
gebiedende wijs hel
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking vervoeging
van werkwoord 1
en werkwoord 2

Werkwoord

hele

  1. (onovergankelijk), (overgankelijk) rijmen, rijpen
Synoniemen


Werkwoord 2:

Werkwoord

hele

  1. (overgankelijk) genezen
  2. (overgankelijk) repareren
Synoniemen
Werkwoord 3:
vervoeging
onbepaalde wijs hele hele
tegenwoordige tijd heler heler
verleden tijd hela
helet
helte
voltooid
deelwoord
hela
helet
helt
onvoltooid
deelwoord
helende helende
lijdende vorm heles heles
gebiedende wijs hel hel
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 2 zwak
opmerking optioneel optioneel

Werkwoord

hele

  1. (overgankelijk) helen, verkopen van gestolen goed


Zelfstandig naamwoord 1:
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     -     -     -  

Zelfstandig naamwoord

hele, o

  1. eenheid, geheel
Synoniemen
Zelfstandig naamwoord 2:
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     m: helen
v: hela  
  heler     helene  
genitief   heles     m: helens
v: helas  
  helers     helenes  

Zelfstandig naamwoord

hele, m / v

  1. (meteorologie) rijm, rijp
Synoniemen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • he·le
Woordherkomst en -opbouw
  • Werkwoord 1 en zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord héla
  • Werkwoord 2: afkomstig van het Nederduitse werkwoord helen
Werkwoord 1:
vervoeging
onbepaalde wijs hele
hela
tegenwoordige tijd helar
verleden tijd hela
voltooid
deelwoord
hela
onvoltooid
deelwoord
helande
lijdende vorm helast
gebiedende wijs hel
hela
hele
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking vervoeging
van werkwoord 1
en werkwoord 2

Werkwoord

hele

  1. rijmen, rijpen
Synoniemen


Werkwoord 2:

Werkwoord

hele

  1. (overgankelijk) helen, verkopen van gestolen goed


  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     hela     heler     helene  

Zelfstandig naamwoord

hele, v

  1. (meteorologie) bevroren dauw, rijm, rijp
Synoniemen