Naar inhoud springen

hele

Uit WikiWoordenboek
  • he·le

hele

  1. verbogen vorm van de stellende trap van heel
     Toen ik de gigantische muur inktzwarte wolken op me af zag komen barstte ik in tranen uit. Na een lange beklimming stond ik uitgeput boven op Mount Whitney. De hele dag was het vriendelijk en rustig weer geweest, maar nu kwam er vanaf de andere kant van de berg een zwaar onweer op me af dat om de paar seconden fel oplichtte. Bliksem en storm.[1]
vervoeging van
helen

hele

  1. aanvoegende wijs van helen
98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[2]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • he·le
Naar frequentie 115

hele, g / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van hel

hele, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van hel


  • he·le
  • Werkwoord 1: afleiding van het Noorse zelfstandige naamwoord 1 hele
  • Werkwoord 2: afleiding van het Noorse bijvoeglijke naamwoord hel
  • Werkwoord 3: afkomstig van het Nederduitse werkwoord skjule
  • Zelfstandig naamwoord 1: afleiding van het Noorse bijvoeglijke naamwoord hel
  • Zelfstandig naamwoord 2: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord héla
Naar frequentie 138

hele, m / v / o

  1. bepaalde vorm enkelvoud van de stellende trap van hel

hele, mv

  1. onbepaalde en bepaalde vorm meervoud van de stellende trap van hel
Werkwoord 1:
vervoeging
onbepaalde wijs hele
tegenwoordige tijd heler
verleden tijd hela
helet
voltooid
deelwoord
hela
helet
onvoltooid
deelwoord
helende
lijdende vorm heles
gebiedende wijs hel
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking vervoeging
van werkwoord 1
en werkwoord 2

hele

  1. onovergankelijk, overgankelijk rijmen, rijpen
Werkwoord 2:

hele

  1. overgankelijk genezen
  2. overgankelijk repareren
Werkwoord 3:
vervoeging
onbepaalde wijs hele hele
tegenwoordige tijd heler heler
verleden tijd hela
helet
helte
voltooid
deelwoord
hela
helet
helt
onvoltooid
deelwoord
helende helende
lijdende vorm heles heles
gebiedende wijs hel hel
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak Klasse 2 zwak
opmerking optioneel optioneel

hele

  1. overgankelijk helen, verkopen van gestolen goed
Zelfstandig naamwoord 1:
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     -     -     -  

hele, o

  1. eenheid, geheel
Zelfstandig naamwoord 2:
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     m: helen
v: hela  
  heler     helene  
genitief   heles     m: helens
v: helas  
  helers     helenes  

hele, m / v

  1. (meteorologie) rijm, rijp


  • he·le
  • Werkwoord 1 en zelfstandig naamwoord: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord héla
  • Werkwoord 2: afkomstig van het Nederduitse werkwoord helen
Werkwoord 1:
vervoeging
onbepaalde wijs hele
hela
tegenwoordige tijd helar
verleden tijd hela
voltooid
deelwoord
hela
onvoltooid
deelwoord
helande
lijdende vorm helast
gebiedende wijs hel
hela
hele
vervoegingsklasse Klasse 1 zwak
opmerking vervoeging
van werkwoord 1
en werkwoord 2

hele

  1. rijmen, rijpen
Werkwoord 2:

hele

  1. overgankelijk helen, verkopen van gestolen goed
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   hele     hela     heler     helene  

hele, v

  1. (meteorologie) bevroren dauw, rijm, rijp