Naar inhoud springen

heil

Uit WikiWoordenboek
  • heil
  • In de betekenis van ‘welzijn, redding’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Afgeleid van heel (onaangetast, volledig). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord heil -
verkleinwoord heiltje heiltjes

hetheilo

  1. welzijn, voorspoed, redding, verlossing
    • Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens) 
     Men kon beter zijn heil zoeken bij artsen als Hippocrates 'en al die anderen die zich een complete lichaamskunst hebben eigen gemaakt'.[3]
     Ze moesten ten eerste wat meer op de uitgaven gaan letten, ten tweede had het geen enkele zin dat hij als oude man alleen aan de ene kant van de Kâllvâgen in een groot en comfortabel huis zat terwijl zijn bijna even oude broer zijn heil moest zoeken in het Grand Hotel vijf minuten verderop? Zo waren ze dat overeengekomen.[4]
  2. voordeel.
    • Ik zie daar geen heil in. 
     Maar ik zag er weinig heil in en de andere therapeut, die Vince me had aanbevolen, heb ik nooit gebeld.[5]
99 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[6]