heil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heil
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘welzijn, redding’ voor het eerst aangetroffen in 901 [1]
  • Afgeleid van heel (onaangetast, volledig). [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord heil -
verkleinwoord heiltje heiltjes

Zelfstandig naamwoord

heil o

  1. welzijn, voorspoed, redding, verlossing
    • Veel heil en zegen! (nieuwjaarswens) 
     Ze moesten ten eerste wat meer op de uitgaven gaan letten, ten tweede had het geen enkele zin dat hij als oude man alleen aan de ene kant van de Kâllvâgen in een groot en comfortabel huis zat terwijl zijn bijna even oude broer zijn heil moest zoeken in het Grand Hotel vijf minuten verderop? Zo waren ze dat overeengekomen.[3]
  2. voordeel.
    • Ik zie daar geen heil in. 
Verwante begrippen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen