klaar

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klaar
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen klaar klaarder klaarst
verbogen klare klaardere klaarste
partitief klaars klaarders -

Bijvoeglijk naamwoord

klaar

  1. in gereedheid gebracht, gereed, het is gepiept
    • Is je huiswerk al klaar? 
  2. licht doorlatend
  3. helder, duidelijk
    • Dat is klare taal. 
  4. zuiver
Uitdrukkingen en gezegden
  • klaar in iets zien
iets helemaal begrijpen
  • daar ben je klaar mee
ik heb medelijden met jou
  • nog niet klaar zijn met iemand
nog iets met iemand willen afrekenen
  • helemaal klaar zijn met iemand
geen contact meer willen hebben met iemand
  • van zessen klaar zijn
een flinke aanpakker zijn
  • altijd een antwoord klaar hebben
altijd een antwoord hebben op vraag, ook als met eigenlijk geen goed antwoord heeft, brutaal, onbeschaamd
  • zo klaar als een klontje
het is helemaal duidelijk
  • op uw plaatsen, klaar? af!
standaard zin bij het starten van een snelheidswedstrijd
  • klaar is Kees
tevreden zijn dat iets volbracht is
Opmerkingen
  • De vergrotende en overtreffende trap komen alleen bij de wat oudere betekenis "helder, duidelijk" voor.
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Bijwoord

klaar

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
klaren

klaar

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
    • Ik klaar. 
  2. gebiedende wijs van klaren
    • Klaar! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klaren
    • Klaar je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen