christendom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het kruis en de vis, twee symbolen van het christendom.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • chris·ten·dom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord christendom -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

christendom o [2]

  1. (religie) een monotheïstische godsdienst gebaseerd op het evangelie en leven van Jezus zoals beschreven in het Nieuwe Testament
    • Het christendom is met twee miljard gelovigen de grootste religie ter wereld. 
    • De ‘uitvinding van het individu’ en het moderne westerse seculiere liberalisme zijn volgens filosoof Larry Siedentop een ‘buitenechtelijk kind’ van het christendom. Zijn boek Inventing the Individual leest als een alternatief kerstverhaal.[3] 
  2. de toestand christen te zijn
    • Kerken worstelen met de vraag hoe zij moeten omgaan met asielzoekers die zich tot het christendom bekeren. [4] 
  3. het deel der wereld dat door christenen beheerst wordt
    • De twee Rooms-Katholieke en Russisch-Orthodoxe Kerk horen oorspronkelijk bij elkaar. De scheiding tussen oost en west binnen het christendom dateert van 1054, het jaar van het Oosters Schisma, ook wel ‘Grote Schisma’ genoemd. In de eeuwen daarvoor raakten de twee kerken steeds meer vervreemd van elkaar. Sindsdien hebben vele pausen geprobeerd de breuk te herstellen, maar nooit kwam het tot een ontmoeting tussen de leiders.[5] 
Hyponiemen
Hyperoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. christendom op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Paul Steenhuis NRC 24 december 2015
  4. Wubby Luyendijk Mirjam Remie 2 mei 2016
  5. Menno Sedee NRC 12 februari 2016