half

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half
Woordherkomst en -opbouw
  • van Middelnederlands half [1]

Hoofdtelwoord

half

  1. de helft (½)
stellend
onverbogen half
verbogen halve
partitief halfs

Bijvoeglijk naamwoord

half

  1. de helft zijnde
Verwante begrippen
Breukgetallen in het Nederlands
halfanderhalftweeënhalfdrieënhalfvierenhalfvijfenhalfzesenhalfzevenenhalfachtenhalfnegenenhalf
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Beter een half ei dan een lege dop.
beter iets dan helemaal niets
  • Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.
je kan beter iets voortijdig stoppen dan doorgaan tot het helemaal verkeerd gaat; wanneer je in de gaten hebt dat dit het niet de goede weg is, kun je beter stoppen en opnieuw beginnen
  • De brutalen hebben de halve wereld.
wie brutaal is krijgt doorgaans meer dan dat diegene recht op heeft
  • Een half ei is beter dan een lege dop.
beter iets dan niets
  • Een goed begin is het halve werk.
beter een goede start te maken dan later puin te moeten ruimen ofwel: met een goede voorbereiding kan het werk goed en snel gedaan worden
  • Een goed verstaander heeft maar een half woord nodig.
  • Gedeelde smart is halve smart.
als je over problemen praat, dan kan je het makkelijker verwerken; door de problemen/ellende van een ander is het gemakkelijker de eigen problemen/ellende te dragen
  • Goed begonnen is half gewonnen.
een goed begin is het halve werk
  • Goed gereedschap is het halve werk.
door de juiste hulpmiddelen te gebruiken wordt het karwei snel geklaard
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudengelse healf.
Naar frequentie 460 (bijvoeglijk naamwoord)


stellend vergrotend overtreffend
half - -

Bijvoeglijk naamwoord

half

  1. half
Naar frequentie 4797 (bijwoord)


Bijwoord

half

  1. voor de helft
Naar frequentie 1453 (zelfstandig naamwoord)


enkelvoud meervoud
half halves

Zelfstandig naamwoord

half

  1. helft
Uitdrukkingen en gezegden
  • in half
in het midden
«Cut the meatballs in half and set aside.»
Snijd de gehaktballen in het midden door en leg ze opzij.