halfleeg

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·leeg
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen halfleeg
verbogen halflege
partitief halfleegs

Bijvoeglijk naamwoord

halfleeg

  1. voor de helft nog gevuld, de andere helft leeg
    • De actrice werd dood aangetroffen op haar bed met naast haar een leeg buisje slaaptabletten en een halflege fles wodka. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.