halfslaap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·slaap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfslaap halfslapen
verkleinwoord halfslaapje halfslaapjes

Zelfstandig naamwoord

halfslaap m

  1. toestand tussen slapen en waken in
    • Elke ochtend roept Sara vanuit haar ledikant dat ze wakker is. Ze kan niet zelf uit bed stappen, dus halen we haar. Langzaam raken we gewend aan veel gevolgen van haar spierziekte, maar toch denk ik bijna elke morgen hoe het zou zijn als ze plotseling naast ons bed staat. In mijn halfslaap blijf ik kennelijk hopen op een wonder. [1] 
    • Het is vroeg in de ochtend en de eerste zonnestralen verjagen de nevel in het dal van Val di Kam. Een vogel laat een amechtig fuutfuutfuut horen. De laatste uccello (vogel, it) van het eiland, denk ik in halfslaap. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia Bram Verbrugge 26-09-17 In mijn droom vlieg ik uit de bocht
  2. De Telegraaf STELLA RUISCH 16 nov. 2015 Rijp voor de pluk!