halfuur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·uur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfuur halfuren
verkleinwoord halfuurtje halfuurtjes

Zelfstandig naamwoord

halfuur o

  1. (tijdrekening) een periode van 30 minuten
    • Het was in een halfuurtje voor elkaar. 

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.