tweeënhalf
Uiterlijk
- Geluid: tweeënhalf (hulp, bestand)
- IPA: / ˌtwejənˈhɑlᵊf / (3 of 4 lettergrepen)
- tweeën·half, twee·en·half
| stellend | |
|---|---|
| onverbogen | tweeënhalf |
| verbogen | tweeënhalve |
| partitief | tweeënhalfs |
tweeënhalf
- (breukgetal) de breuk 2½; twee en een half
- Hij is na tweeënhalf jaar gestopt.
- Ik ben tweeënhalve kilo aangekomen.
| Breukgetallen in het Nederlands | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| half • anderhalf • tweeënhalf • drieënhalf • vierenhalf • vijfenhalf • zesenhalf • zevenenhalf • achtenhalf • negenenhalf | |||||||||||
- Het woord tweeënhalf staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 of 4 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Hoofdtelwoord in het Nederlands
- Breukgetal in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal