halftime

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

[2] Coldplay tijdens de halftime show
Uitspraak
Woordafbreking
  • half·time
Woordherkomst en -opbouw
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord halftime
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halftime m

  1. het moment halverwege het begin en het einde
  2. de rust halverwege een wedstrijd
    • Het album zelf is verkrijgbaar vanaf 2 februari. Twee dagen later verzorgt de 36-jarige Timberlake de beroemde 'halftime show' bij de finale van de Amerikaanse footballcompetitie, de Super Bowl. [1] 
    • Justin Timberlake treedt op tijdens de halftime-show, die bijkans populairder is dan de prestigieuze wedstrijd zelf. Pink zal het volkslied ten gehore brengen. Zowel Cindy's zoon Presley als dochter Kaia treden in hun moeders voetsporen wat betreft modellenwerk. Kaia heeft net haar eerste Vogue-cover te pakken en samen met Presley werkt ze onder andere voor Calvin Klein. [2] 
Synoniemen
stellend
onverbogen halftime
verbogen
partitief halftimes

Bijvoeglijk naamwoord

  1. met betrekking tot een baan dat ze deze de helft van de werkweek uitoefent
    • Leraren die 4 of 4,5 dag in de week werken, blijken nog zoveel tijd kwijt te zijn aan extra taken, dat ze in feite fulltime werken. Ook mensen die halftime of minder werken, zijn relatief vaak thuis nog bezig. Het lesgeven zelf is niet zo'n belasting. Leraren voelen vooral de druk van ouderavonden, surveilleren tijdens hun pauzes en het nakijken van opdrachten. [3] 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen