Naar inhoud springen

anderhalf

Uit WikiWoordenboek
  • an·der·half
stellend
onverbogen anderhalf
verbogen anderhalve
partitief anderhalfs

anderhalf

  1. (breukgetal) met enkelvoud: één en een half, 1,5
    • Anderhalve week is niet zo lang. 
     Sommige stukken waren lastig, met steile hellingen waardoor het soms wel anderhalf uur duurde om een stuk van twintig meter over te steken.[4]
     De zaak van de gekleurde straathoer die aan een kruis genageld gevonden was in de chique wijk Dikken, hield Van Veeteren en Münster anderhalve dag bezig.[5]
Breukgetallen in het Nederlands
halfanderhalftweeënhalfdrieënhalfvierenhalfvijfenhalfzesenhalfzevenenhalfachtenhalfnegenenhalf
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[6]