halfvier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·vier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfvier
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfvier v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege drie en vier uur

Gangbaarheid

74 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be