halfvier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·vier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfvier
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfvier v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege drie en vier uur

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.