halfzes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·zes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfzes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfzes v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege vijf en zes uur

Gangbaarheid

80 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be