halfzes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·zes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfzes
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfzes v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege vijf en zes uur

Gangbaarheid

83 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.