halfelf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • half·elf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord halfelf
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

halfelf v / m

  1. een tijdstip op de klok halverwege tien en elf uur

Gangbaarheid

62 % van de Nederlanders;
80 % van de Vlamingen.

Meer informatie