brood

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Brood.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord brood broden
verkleinwoord broodje broodjes

Zelfstandig naamwoord

brood o

  1. (voeding) een meelproduct dat gemaakt wordt door meeldeeg te bakken, te koken of te stomen
    • Die bakker maakt een buitengewoon heerlijk brood. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Brood en spelen
  • brood op de plank hebben
genoeg hebben om van te leven
  • De een z'n dood is een ander z'n brood.
wat voor de één een nadeel is, daar profiteert een ander van
  • Een kruimeltje is ook brood.
wees gelukkig met wat je hebt
  • Ergens geen brood in zien
niet denken dat iets kan werken
  • Iemand het brood uit de mond stoten
iemand het onmogelijk maken om in eigen inkomen te kunnen voorzien
  • Iemand iets op zijn brood geven
iemand onvriendelijk iets verwijten
  • Niet bij brood alleen leven
men heeft meer nodig dan alleen eten om te kunnen leven
  • Stenen voor brood geven
iets geven waar de ander niets aan heeft
  • Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
  • Zich de kaas niet van het brood laten eten
Voor het eigen belang opkomen
  • iets op je brood krijgen
ergens van beschuldigd worden
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord brood brode

Zelfstandig naamwoord

brood

  1. (voeding) brood


Engels

Zelfstandig naamwoord

brood

  1. gebroed, broedsel

Werkwoord

brood

  1. broeden
  2. ergens op zinnen, meestal in kwaadaardige zin