broodmager

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

een broodmagere anorexiapatiënt
Uitspraak
Woordafbreking
  • brood·ma·ger
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen broodmager
verbogen broodmagere
partitief broodmagers

Bijvoeglijk naamwoord

broodmager [3]

  1. (intensief) heel erg mager
    • Een Roemeen, een broodmagere veertiger in een grijs trainingspak, vertelt dat hij geen stroom meer heeft. „Dan moet je betalen”, is het antwoord. De Roemeen zwaait met zijn handen. „Ik krijg over drie weken geld op mijn werk.” Pech gehad. Eigenaar Engel wil nog wel eens coulant zijn, zeggen sommige bewoners, maar als je geen huur betaalt, wordt de stroom afgesloten. Een troep kinderen maakt ruzie omdat een van de meisjes is uitgemaakt voor hoer. „Ze is negen jaar. Ze weet niet eens wat dat is”, schreeuwt een jongen. Het scheldwoord is met viltstift op de glijbaan van het zwembad geschreven „Wie gaat dat schoonmaken?” vraagt een beheerder. „Ikke niet!” Kwaad lopen de kinderen achter elkaar aan. Even later staan ze met elkaar te dansen onder de bomen, op de tonen van een gettoblaster.[4] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen