bonenbrood

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·nen·brood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bonenbrood bonenbroden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bonenbrood o

  1. (voeding) baksel uit een deeg van gemalen tuinbonen of paardenbonen, vooral gebruikt als veevoer, maar soms ook gegeten door uitgehongerde mensen
    • Volgens de bakker is het een gemiddeld brood. „Er ziten veel koolhydraten in, maar verder is het niet erg voedzaam. Wat dat betreft deden onze erwten- en bonenbroden er destijds niet voor onder. Dat waren sowieso geen ongezonde broodjes, maar het was niet lekker." [2]
  2. (voeding) gebak waarin één bruine boon of muntstuk is verwerkt
    Dit brood werd voor de viering van Driekoningen gebakken, alle leden van het gezin kregen een snee en wie de "boon" in zijn plak aantrof, mocht die dag de baas in huis (koning) zijn.
    • Van der Ven deed ook persoonlijk moeite om enkele teloor gegane tradities weer ingang te doen vinden, zoals de Driekoningenavondviering met het eten van het bonenbrood. [3]
Synoniemen

Gangbaarheid

Verwijzingen