brodeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bro·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van brood met het achtervoegsel -loos met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen brodeloos brodelozer brodeloost
verbogen brodeloze brodelozere brodelooste
partitief brodeloos brodelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

brodeloos

  1. zonder brood, zonder inkomen
    • Na het failliet gaan van zijn bedrijf bleef hij brodeloos achter. 
Synoniemen

Gangbaarheid

79 % van de Nederlanders;
49 % van de Vlamingen.