broodplank

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

houten broodplank
Uitspraak
Woordafbreking
  • brood·plank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broodplank broodplanken
verkleinwoord broodplankje broodplankjes

Zelfstandig naamwoord

broodplank v/m [1]

  1. plank waarop men brood kan snijden
    • Ik gebruikte de ronde houten broodplank ook als bord om mijn lunch te eten. 
  2. plank om brood op te bewaren
    • De omslag in het brooddenken had zichtbare gevolgen. Hadden bakkerswinkels nog trots de vermelding 'Eerste, mechanische broodfabriek' in gladde, glimmende letters op de gevel staan, al spoedig werden die vervangen door archaïsche broodplanken waarop in gebrandschilderde letters namen als 'Het Backhuys' prijkten. De 'warme' en 'echte' bakkers deden hun intrede. Een aanduiding die niet wil zeggen dat er altijd fantastisch brood wordt gebakken, maar veelal toch beter dan het in ongenade gevallen fabrieksbrood. Dat kreeg overigens ook snel een ambachtelijke uitstraling aangemeten. [2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Joep Habets 2 februari 2002