broeden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
broeden broedend
gebroed gebroed
broedsel broeds
Uitspraak
Woordafbreking
  • broe·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
broeden
broedde
gebroed
zwak -d volledig

Werkwoord

broeden

  1. (inergatief) (dierkunde) een gelegd ei met lichaamswarmte warm houden
    De morinelplevier broedde vroeger niet in Nederland.
  2. (een plan) in het geheim beramen, uitdenken
Synoniemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl