broodheer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • brood·heer
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broodheer broodheren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

broodheer m [1]

  1. (verouderd) iemand waarbij je in dienst bent en waarvan je dus afhankelijk bent voor je dagelijks brood
    • ‘Eigenlijk liggen de scenario’s wel klaar, de zogeheten consolidated appeals liggen op de plank, maar de politieke broodheren van de VN zijn te druk met het bestendigen van hun plek tegenover hun eigen electoraat. Een redelijk onbaatzuchtige uitzondering blijkt toch telkens weer Nederland te zijn. Minister Ploumens razendsnelle actie om geld ter beschikking te stellen voor reproductieve gezondheidszorg (lees: voorbehoedsmiddelen en abortus voorlichting) als antwoord op het afknijpen van dat budget door president Trump, was fenomenaal. En ook de bereidheid van Nederlandse private donoren om te geven in het aangezicht van menselijk leed, blijft uniek in de wereld.’[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

88 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Paul Luttikhuis 14 maart 2017