broedsel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • broed·sel
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broedsel broedsels
verkleinwoord broedseltje broedseltjes

Zelfstandig naamwoord

broedsel o

  1. een aantal gezamenlijk bebroede eieren en de jongen die daaruit voortkomen
    • Dit is het al het tweede broedsel dit jaar. 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
94 % van de Vlamingen.