broodkast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

broodkast
Uitspraak
Woordafbreking
  • brood·kast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord broodkast broodkasten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

broodkast v/m [1]

  1. plaats waarin men brood en ander eten opbergt
    • „De beesten hebben de weg naar de broodkast weten te vinden en knagen daar aan de broden. ’s Ochtends om zes uur worden de aangevreten exemplaren weggegooid”, vertelt de vakbondsman. Daarnaast is er volgens hem een probleem met de watervoorziening. Hierover en over haperende luchtbehandeling en koelingen stuurde personeel in januari een brandbrief aan de interne medezeggenschapscommissie. [2] 
    • Theo en Djuri staan weer voor de deur. Op naar de Utrechtsestraat. Als ik aankom, staat het brood van Het Vlaams Broodhuis, dat elke dag vers wordt aangeleverd, te wachten om vanuit de kratten de broodkast in te gaan. [3] 
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • De broodkast hangt daar hoog.
Er valt daar weinig te halen.

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. De Telegraaf OLOF VAN JOOLEN 30 mrt. 2018 Kantine van marine vol knaagdieren
  3. NRC Marjan Kuyt-Weppner 15 april 2006 Hollands dagboek; Marjan Kuyt-Weppner