mik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mik
enkelvoud meervoud
naamwoord mik mikken
verkleinwoord mikje mikjes

Zelfstandig naamwoord

mik

  1. m het mikken, het ergens op richten
  2. v/m (voeding) een zwaar soort brood van in linnen zakjes gekookt ongezift roggemeel
  3. v/m (scheepvaart) deel van een maststrijksysteem waarop de mast in gestreken stand rust
    • In gestreken stand rust de mast in de mik. 
  4. v/m handel, spul, zooi
    • Ik weet niet wat ik met deze mik aanmoet. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: weten van kikken noch mikken
geborgen zijn

Werkwoord

vervoeging van
mikken

mik

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    • Ik mik. 
  2. gebiedende wijs van mikken
    • Mik! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van mikken
    • Mik je? 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders
88 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Albanees

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Latijnse amicus.

Zelfstandig naamwoord

mik

  1. vriend


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief ik wit weis
accusatief mik ugkis uns/unsis
genitief meina ugkis unsara
datief mis *ugkara uns/unsis

Persoonlijk voornaamwoord

mik

  1. mij (accusatief van de eerste persoon enkelvoud)



Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde wijs onvoltooid
deelwoord
voltooid
deelwoord
mik

-
-
gemik

klasse 4 volledig

Werkwoord

mik

  1. mikken
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: mek.