kant
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- kant
| 2,3 | enkelvoud | meervoud |
|---|---|---|
| naamwoord | kant | kanten |
| verkleinwoord | kantje | kantjes |
Zelfstandig naamwoord
kant
- o een vorm van vlechtwerk gemaakt van dunne linnen of katoenen draden
- Het kant op de rok was netjes afgewerkt.
- m richting
- De juiste kant werd aangegeven op het bord.
- m zijde
- Een vel papier heeft twee kanten.
- Het is de vraag van welke kant je dat bekijkt.
- o (kleur) de kleur van de stof kant hebbend
- Heeft u die ook in het kant?
Synoniemen
- [4] kantkleur, kantkleurig
Uitdrukkingen en gezegden
Aan de andere kant...
- Een aanduiding om aan te geven dat men ook tegenovergesteld over iets kan denken.
Aan de kant zetten.
- Iemand of iets niet meer raadplegen of gebruiken.
Vertalingen
1. een vorm van vlechtwerk
2. richting
aan de andere kant
aan de kant zetten
|
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)
Bretons
| Telwoord (bre) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 0 | ||||
| 1 | 11 | 10 | 100 | 103 |
| 2 | 12 | 20 | 200 | 106 |
| 3 | 13 | 30 | 300 | 109 |
| 4 | 14 | 40 | 400 | |
| 5 | 15 | 50 | 500 | |
| 6 | 16 | 60 | 600 | |
| 7 | 17 | 70 | 700 | |
| 8 | 18 | 80 | 800 | |
| 9 | 19 | 90 | 900 | |
Hoofdtelwoord
kant