tank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tank
enkelvoud meervoud
naamwoord tank tanks
verkleinwoord tankje tankjes

Zelfstandig naamwoord

tank v/m

  1. een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen
    Er zat geen benzine meer in de tank.
  2. een gepantserd en zwaar bewapend oorlogsvoertuig op rupsbanden
    De invoering van de tank doorbrak de stagnatie van de loopgravenoorlog.
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
tanken

tank

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
    Ik tank.
  2. gebiedende wijs van tanken
    Tank!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
    Tank je?


Noors

Zelfstandig naamwoord

tank
  1. verouderde spelling van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

tank
  1. verouderde spelling van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen