tank
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: Bestand bestaat nog niet. Aanmaken?
- IPA:
- (Noord-Nederland): /tɛŋk/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /tɑŋk/
Woordafbreking
- tank
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tank | tanks |
| verkleinwoord | tankje | tankjes |
Zelfstandig naamwoord
- een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen
- Er zat geen benzine meer in de tank.
- een gepantserd en zwaar bewapend oorlogsvoertuig op rupsbanden
- De invoering van de tank doorbrak de stagnatie van de loopgravenoorlog.
Afgeleide begrippen
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| tanken |
tank
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
- Ik tank.
- gebiedende wijs van tanken
- Tank!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
- Tank je?
Noors
Zelfstandig naamwoord
- tank
- verouderde spelling van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
- (verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk
Nynorsk
Zelfstandig naamwoord
- tank
- verouderde spelling van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
- (verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woorden in het Noors
- Zelfstandig naamwoord in het Noors
- Oude spelling van het Noors van voor 2005
- Verouderd in het Noors
- Woorden in het Nynorsk
- Zelfstandig naamwoord in het Nynorsk
- Oude spelling van het Nynorsk van voor 2005
- Verouderd in het Nynorsk