lichtgeel
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- licht·geel
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | lichtgeel | |
| verkleinwoord |
Zelfstandig naamwoord
lichtgeel o
- (kleur) een lichte kleur geel
- Heeft u die ook in het lichtgeel?
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | lichtgeel | lichtgeler | lichtgeelst |
| verbogen | lichtgele | lichtgelere | lichtgeelste |
Bijvoeglijk naamwoord
lichtgeel
- (kleur) de kleur lichtgeel hebbend, een kleur geel
- Hij rijdt in een lichtgele auto.
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)