sneeuwwit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sneeuw·wit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sneeuwwit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sneeuwwit o

  1. (kleur) zo wit als sneeuw
    Heeft u die ook in het sneeuwwit?
stellend
onverbogen sneeuwwit
verbogen sneeuwwitte

Bijvoeglijk naamwoord

sneeuwwit

  1. (kleur) de kleur sneeuwwit hebbend, zo wit als sneeuw
    Hij rijdt in een sneeuwwitte auto.
Afgeleide begrippen
Vertalingen