zoom
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Woordafbreking
- zoom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoom | zomen |
| verkleinwoord | zoompje | zoompjes |
Zelfstandig naamwoord
- tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
- Ik moet er nog even een zoom in zetten.
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| zomen |
zoom
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
- Ik zoom.
- gebiedende wijs van zomen
- Zoom!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
- Zoom je?
| vervoeging van |
|---|
| zoomen |
zoom