zoom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoom
enkelvoud meervoud
naamwoord zoom zomen
verkleinwoord zoompje zoompjes

Zelfstandig naamwoord

zoom v/m

  1. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
    Ik moet er nog even een zoom in zetten.

Werkwoord

vervoeging van
zomen

zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    Ik zoom.
  2. gebiedende wijs van zomen
    Zoom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    Zoom je?

Werkwoord

vervoeging van
zoomen

zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    Ik zoom.
  2. gebiedende wijs van zoomen
    Zoom!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    Zoom je?