draad
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- draad
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | draad | draden |
| verkleinwoord | draadje | draadjes |
Zelfstandig naamwoord
draad m
- in elkaar gesponnen vezels.
- De draad van de ophanging was gebroken en daardoor lag het schilderij op de grond.
Uitdrukkingen en gezegden
- de draad oppakken
-
- verder gaan met iets
Vertalingen
1. in elkaar gesponnen vezels