katoen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: katoen (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland) /kɑˈtun/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg) /kɑˈtun/
Woordafbreking
- ka·toen
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | katoen | - |
| verkleinwoord | - | - |
Zelfstandig naamwoord
katoen o
- een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
[1] een zachte vezel die uit de opperhuid (epidermis) van de zaden van de katoenplant groeit
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.