flank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • flank
enkelvoud meervoud
naamwoord flank flanken
verkleinwoord flankje flankjes

Zelfstandig naamwoord

flank v/m

  1. zijkant van een samenhangend geheel
    Het legioen werd in de flank aangevallen.
  2. (elektronica) sterkst stijgende of dalende deel van een elektrisch signaal
  3. deel van een bastion dat aan de courtine grenst
Synoniemen
  1. (zijkant)
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
flank flanks

Zelfstandig naamwoord

flank

  1. flank
vervoeging
onbepaalde wijs to flank
he/she/it flanks
verleden tijd flanked
voltooid
deelwoord
flanked
onvoltooid
deelwoord
flanking
gebiedende wijs flank

Werkwoord

flank

  1. flankeren
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen