wit

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • wit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wit
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

wit o

  1. (kleur) de lichtste kleur die in principe geen kleur is
    Heeft u die ook in het wit?
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen wit witter witst
verbogen witte wittere witste

Bijvoeglijk naamwoord

wit

  1. (kleur) de kleur wit hebbend
    Hij rijdt in een witte auto.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
witten

wit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van witten
  2. gebiedende wijs van witten

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

enkelvoud meervoud
wit wits

Zelfstandig naamwoord

wit

  1. scherpzinnigheid, vernuft
vervoeging
onbepaalde wijs to wit
he/she/it wits
verleden tijd wit
voltooid
deelwoord
wit
onvoltooid
deelwoord
witting
gebiedende wijs wit

Werkwoord

wit

  1. (verouderd) weten


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

wit

  1. (kleur) wit.


Angelsaksisch

Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

wit

  1. wij twee.


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief ik wit weis
accusatief mik ugkis uns/unsis
genitief meina ugkis unsara
datief mis *ugkara uns/unsis

Persoonlijk voornaamwoord

wit

  1. wij twee (nominatief van de eerste persoon tweevoud)


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /wɪt/ (Etsbergs)
Woordherkomst en -opbouw
  • Mogelijk een leenwoord uit het Nederlands.

Bijvoeglijk naamwoord

wit

  1. (kleur) wit.

Zelfstandig naamwoord

wit o

  1. (kleur) wit.
Verbuiging
Synoniemen


Veluws

Bijvoeglijk naamwoord

wit

  1. (kleur) wit.