marge

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ge
enkelvoud meervoud
naamwoord marge marges
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

marge v/m

  1. opengelaten ruimte aan de rand van een bladzijde
    Er stond een een opmerking in de marge.
  2. overdrachtelijk de speelruimte in een bepaalde situatie
    Er is niet veel marge in deze zaak.
  3. (financieel) het winstpercentage van een prijs
    Een marge van 1% is niet ongewoon voor een supermarkt.
Vertalingen

Meer informatie