zeekant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zee·kant
enkelvoud meervoud
naamwoord zeekant -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zeekant m

  1. de zijde die naar de zee gericht is
    Als oplossing voor het afvalwaterprobleem groef men aan de onderkant van de dijk een koker, die aan de zeekant met een scharnierend deksel werd afgesloten.