pruim
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- pruim
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | pruim | pruimen |
| verkleinwoord | pruimpje | pruimpjes |
Zelfstandig naamwoord
- m (plantkunde) Prunus domestica
pruimenboom - (fruit) vrucht van de pruimenboom
- (kleur) de violette kleur van paarse pruimen (kunnen echter ook geel of rood zijn)
- pluk tabak om op te kauwen of te zuigen
Synoniemen
- [2] kwets
- [3] pruimkleur, pruimkleurig
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
2. vrucht van de pruimenboom
|
|
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| pruimen |
pruim
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
- Ik pruim.
- gebiedende wijs van pruimen
- Pruim!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van pruimen
- Pruim je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Kleuren in het Nederlands (nld) (de kleuren zijn slechts indicatief) (zie ook: RAL-kleuren)