kaki

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken


Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ka·ki
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kaki
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

kaki o

  1. (kleding) dof, geelbruin geweven stof, vanaf de 20e eeuw veel gebruikt voor militaire uniformen
  2. (kleur) de kleur van de stof kaki hebbend
    Heeft u die ook in het kaki?
stellend
onverbogen kaki
verbogen kaki
stellend
onverbogen kaki
verbogen -

Bijvoeglijk naamwoord

kaki

  1. (kleur) de kleur van de stof kaki hebbend, dof geelbruin
    Deze zomer zijn kaki en aubergine jurken in de mode.
  2. (kleding) vervaardigd uit de stof kaki
    Hij droeg een kaki broek.



Indonesisch

Woordafbreking
  • ka·ki

Zelfstandig naamwoord

kaki

  1. (anatomie) voet
  2. (anatomie) been
  3. voet, het onderste deel waar het overige op rust
    «kaki gunung»
    de voet van de berg
    «kaki rumah»
    het fundament van het huis
  4. (eenheid) voet, lengtemaat van ongeveer 30 cm
  5. poot
    «kaki meja»
    tafelpoot
    «soto kaki kambing»
    soep van lamsbout
  6. stuks, exemplaren van (voorafgegaan door een telwoord om het aantal gelijksoortige objecten met een steel aan te geven)
    «tujuh kaki payung»
    acht paraplu's
Afgeleide begrippen
Overerving en ontlening


Zelfstandig naamwoord

kaki

  1. (familie) opa
  2. oude man
Synoniemen
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

kaki

  1. (kleur) kaki


Kiribatisch

Werkwoord

kaki

  1. weggooien
  2. laten gaan
  3. uitwerpen
  4. verwerpen
  5. in de steek laten
  6. verlaten
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen